Projectdetails
Beschrijving
Het houden van intacte, niet-gecastreerde beren in de biologische varkenshouderij blijkt haalbaar mits aangepast management, maar berengeur in het vlees blijft wel een hardnekkige uitdaging. Dat is het resultaat uit het onderzoeksproject BiobeerIII. Binnen de varkenssector bestaan er nog steeds drempels rond niet-castratie (in het kader van verbeterd dierenwelzijn) en de gevolgen voor vleeskwaliteit en consumentenacceptatie. Dit project pakte die knelpunten aan in de volledige keten: van primaire productie over verwerking tot vermarkting. Via overleg met biologische varkenshouders, vleesverwerkers en retailers werd eerst draagvlak gecreëerd en duidelijk gemaakt welke eisen en verwachtingen er leven. Zo kon de sector in de praktijk ervaring opdoen met het houden, verwerken en verkopen van vlees van intacte beren.
Onderzoeksaanpak
De onderzoekers startten met overlegmomenten met retailers, vleesverwerkende bedrijven en biologische varkenshouders om samen ‘best practices’ te selecteren rond gedrag en het beperken van berengeur, specifiek voor de bio-context. Op drie praktijkbedrijven werden reductiestrategieën voor berengeur getest, onder andere via aangepaste voeders: een variant van een commercieel berengeurreducerend voeder, kastanjetannines en graskuil. De dieren werden van geboorte tot slacht opgevolgd, met aandacht voor gedrag, slachtresultaten, vleeskwaliteit en smaaktesten. Aan de slachtlijn verzamelden de onderzoekers vetstalen voor sensorische beoordeling en chemische analyse van de geurstoffen androstenon en skatol. De aanpak en tussentijdse resultaten werden herhaaldelijk besproken met ketenpartners om bij te sturen waar nodig.
Relevantie/Valorisatie
Twee van de drie bedrijven rapporteerden weinig gedragsproblemen, terwijl één bedrijf meer onrust en seksueel gedrag bij de beren zag. Dat onderstreept het belang van bedrijfsspecifieke managementmaatregelen. De slachtgegevens bevestigden gekende voordelen van intacte beren zoals een hoger vleespercentage, maar toonden tegelijk een hoge prevalentie van berengeur (14%), vooral door verhoogde androstenonwaarden. Graskuil verlaagde het androstenongehalte duidelijk, terwijl het commerciële berengeurreducerende voeder en de kastanjetannines geen aantoonbaar effect hadden. Vlees van beren zonder berengeur werd door smaakpanels als gelijkwaardig beoordeeld aan vlees van gecastreerde mannelijke varkens (bargen), en gehakt met 20% inmenging van karkassen mét berengeur werd door consumenten niet als afwijkend ervaren. Dat biedt perspectief voor (gedeeltelijke) valorisatie van vlees met berengeur en maakt het project relevant voor bio-varkenshouders, verwerkers, retailers en beleidsmakers. In overleg met de sector werden bovendien vervolgsporen geïdentificeerd, zoals het inzetten van genetica met een lagere kans op berengeur.
Departement Omgeving, afdeling Dierenwelzijn
| Acroniem | BIOBEERIII |
|---|---|
| Status | Voltooid |
| Effectieve start/einddatum | 1/12/23 → 31/05/25 |
Data Management Plan vlag voor FRIS
- DMP aanwezig
Vingerafdruk
Onderzoeksoutput
- 2 Rapport
-
Intacte beren houden en verwerken in de biologische varkenshouderij
Aluwé, M., Van den Broeke, A. & Romeyns, L., 2025, 40 blz.Onderzoeksoutput: Boek/rapport › Rapport
Open AccessBestand -
Nieuwsbrief Varkensloket volume 38
De Smet, S. & Bernaerdt, E., 24-jan.-2024, Melle. 5 blz.Onderzoeksoutput: Boek/rapport › Rapport