Knelpunten en toekomstperspectieven van de Vlaamse snijbloemensector

    Onderzoeksoutput: Boek/rapportRapport

    Uittreksel

    De productiestructuur van de Vlaamse snijbloementeelt wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van heel wat kleine bedrijven en een beperkt aantal grotere bedrijven. Deze laatste vertegenwoordigen echter wel een belangrijk aandeel in het totale productiepotentieel. Aangezien het aantal bedrijfsopvolgers laag is zullen heel wat kleine bedrijven verdwijnen bij de pensionering van de bedrijfsleider. De gemiddelde rendabiliteit van de snijbloemenbedrijven bleef tijdens de voorbije jaren ondermaats. Toch kan gesteld worden dat het gemiddeld rendabiliteitscijfer naar beneden wordt getrokken door de aanwezigheid van heel wat kleine, verouderde bedrijven zonder opvolger. Op de grotere bedrijven wordt over het algemeen een goede rendabiliteit behaald en kan de arbeid efficiënter worden ingezet door de betere mechaniserings- en automatiseringsmogelijkheden. Het is van belang dat elke teler naar de toekomst toe een duidelijk keuze maakt voor wat betreft de bedrijfsgrootte in functie van zijn doelstellingen en de bedrijfsvoering op deze keuze afstemt. Kiest men voor een klein, familiaal bedrijf, dan is men vooral aangewezen op de handel met de bloemenwinkel en is men verplicht om niet enkel kwaliteit te leveren maar ook om de trends snel op te volgen. Topkwaliteit in een ‘niche-product’ is hier de aangewezen strategie. Een ‘niche-product’ veronderstelt een beperking van de productie. Overleg en onderlinge afspraken om overproductie te voorkomen, zijn hier ten zeerste aangewezen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er samenwerking komt tussen de telers. Kiest men voor een groot bedrijf, dan is men genoodzaakt om de concurrentie aan te gaan met de Nederlandse grote bedrijven en kiest men voor specialisatie in een bepaal ‘massa-product’ en voor verkoop aan grootwinkelbedrijven en supermarkten. Indien men kiest voor een groot bedrijf is het van belang om te beschikken over de noodzakelijke managementcapaciteiten. Vooral het kunnen omgaan met personeel is hier van belang. Op basis van een managementenquête uitgevoerd op de snijbloemenbedrijven die deel uitmaken van het C.L.E.-boekhoudnet, blijkt dat het gemiddeld snijbloemenbedrijf een typisch familiaal bedrijf is, waarbij de vestigingsplaats overwegend ingegeven wordt door familiale en sociale redenen. De bedrijfsleiders verklaren gemiddeld weinig plannen te hebben om de concurrentiekracht van hun bedrijf te verbeteren naar de toekomst toe, hetgeen te maken heeft met de verouderde structuur van het productie-apparaat. De belangrijkste commerciële strategie bestaat uit het leveren van goede kwaliteit. Het gemiddelde snijbloemenbedrijf besteedt veel aandacht aan de kwaliteit, toch zijn veel telers van mening dat de kwaliteit momenteel reeds optimaal is en dat deze niet meer kan verbeterd worden. Opvallend is dat in de snijbloemensector significant minder advies wordt gevraagd aan de bedrijfsvoorlichter. Dit blijkt zowel het geval te zijn voor investeringsplannen als voor teeltplan- en variëteitskeuze. Voor wat betreft de registratie en controle van de productie kan geconstateerd worden dat weinig vergelijkingen worden uitgevoerd met andere bedrijven. Slechts een beperkt aantal van de geënquêteerde bedrijven 63 zijn lid van het Vlaams Milieuplan voor de Sierteelt (V.M.S.). Voor wat betreft het financieel management van het snijbloemenbedrijf kan geconstateerd worden dat schriftelijke plannen slechts sporadisch voorkomen. De geënquêteerde snijbloementelers zijn over het algemeen matig op de hoogte van subsidies. Ook het gebruik van de PC is lager dan op de andere glastuinbouwbedrijven. Het grote belang gehecht aan de productkwaliteit wordt bevestigd door de vertegenwoordigers van de handel. Voor wat betreft het milieuvriendelijk produceren onder het V.M.S.-label is de handel van oordeel dat er geen specifieke vraag is naar V.M.S.-bloemen, doch dat men er rekening mee moet houden dat dit in de toekomst een standaard wordt. Kwaliteit telen is belangrijk doch niet voldoende. Er moet voldoende aandacht besteed worden aan de productkeuze. Bloemenzaken zijn steeds op zoek naar nieuwe producten.
    Kleuren zijn steeds belangrijker. Trends worden gelanceerd door meester-bloemenbinders via publicaties en demonstraties, vakbladen, vrouwenbladen, bloemenbureaus, de modewereld en de maatschappij. Een vaststelling is dat de trends gelanceerd door de meester-bloemenbinders na één of twee jaar, na een prijsdaling, overgenomen worden door supermarkten en markthandelaars. De verwachtingen zijn dat de supermarkten in de toekomst minstens 20 % van de omzet van snijbloemen zullen vertegenwoordigen. Voor de telers komt het erop aan te anticiperen op de nieuwe ontwikkelingen. Het is noodzakelijk om in te spelen op de veranderende wensen en eisen van de handel. Voor wat betreft de reactie van de consument kan worden vastgesteld dat de prijs niet meer de belangrijkste producteis is, maar duurzaamheid, houdbaarheid en gemak. Aan de telers wordt de raad gegeven om regelmatig bloemenzaken te bezoeken. Snijbloemen zijn een belangrijk exportproduct. Toch kan geconstateerd worden dat België meer snijbloemen invoert dan uitvoert. Het panel kwam tot de conclusie dat de import noodzakelijk is om het assortiment in de winter te bestendigen. Er bestaan duidelijk producten die alleen nog maar weggelegd zijn voor productie in andere landen (met lagere productiekosten). Anderzijds stijgen de transportkosten voor kwaliteitsproducten, zodat de import niet als een bedreiging, doch eerder als een aanvulling dient beschouwd te worden. Het zal van belang zijn voor de Vlaamse snijbloementeler om zich verder op het segment van de hoge kwaliteit te blijven toeleggen. In de toekomst kan wel gedacht worden aan samenwerking met buitenlandse bedrijven.
    Snijbloemen vertegenwoordigen een belangrijk aandeel in de totale bestedingen van sierteeltproducten van Belgische consumenten. Sierteeltproducten worden nog altijd overwegend aangekocht in bloemenwinkels of –stallen, toch kent men een toenemend belang van de grootdistributie. Terwijl vroeger het accent bijna uitsluitend lag op de kwaliteit van het product, dient de snijbloementeler momenteel de nodige aandacht te besteden aan de eisen van de grootdistributie, namelijk op het vlak van presentatie, continuïteit, flexibiliteit, hoeveelheid,… Er kan geconstateerd worden dat grotere snijbloemenbedrijven steeds meer beroep doen op de groothandel en de Nederlandse veilingen, terwijl de Belgische veilingen 64 van belang zijn voor kleine en middelgrote snijbloemenbedrijven. De Belgische veilingen trachten in te spelen op de behoeften van telers en kopers door het verlenen van een aantal diensten. De vraag kan gesteld worden of de Belgische veilingen niet meer dienen samen te werken, en dit op nationaal en internationaal vlak
    Oorspronkelijke taalNederlands
    UitgeverijMinisterie van Vlaamse Gemeenschap, Centrum voor Landbouweconomie
    Aantal pagina’s76
    ISBN van elektronische versieD/2003/9760/8
    PublicatiestatusGepubliceerd - jun-2003

    Publicatie series

    NaamC.L.E.-Publicatie
    UitgeverijMinisterie van Vlaamse Gemeenschap, Centrum voor Landbouweconomie
    Nr.1.05

    Dit citeren