Ruimtelijke verdeling en gedrag van pluimvee en konijnen als indicator voor hun ruimtebehoefte

Stephanie Buijs

    Onderzoeksoutput: ScriptieDoctoraatsscriptie - Doctoraatsscriptiepeer review

    Uittreksel

    In het verleden heeft onderzoek naar de effecten van bezettingsdichtheid op dierenwelzijn zich voornamelijk gericht op ongewenste invloeden van hoge dichtheden op gezondheid en gedrag. Echter, de afwezigheid van dergelijke negatieve effecten betekent niet noodzakelijkerwijs dat de beschikbare hoeveelheid ruimte optimaal is, gezien vanuit het standpunt van het dier. Het doel van dit proefschrift was om de optimale hoeveelheid ruimte te bepalen voor vleeskuikens en vleeskonijnen aan de hand van de manier waarop zij zich over de beschikbare ruimte verspreidden. Daarnaast werd het belang dat vleeskuikens aan een lagere bezettingsdichtheid hechtten onderzocht door de motivatie voor een lagere dichtheid te vergelijken met de motivatie voor voer. Voor vleeskonijnen werd tevens de invloed van hokverrijking op de ruimtelijke verdeling en het gedrag bestudeerd.
    Artikel I beschrijft hoe vleeskuikens zich gedroegen wanneer zij bij verschillende bezettingsdichtheden gehuisvest waren, en tevens hoe zij zich bij deze verschillende bezettingsdichtheden over de verschillende delen van hun hok verspreidden. Bij een hogere bezettingsdichtheid (wat in deze studie betekende dat er meer dieren werden gehuisvest in een even groot hok) pasten de vleeskuikens hun zit- of lighouding vaker aan, wat impliceert dat zij vaker gestoord werden door hun soortgenoten. Daarnaast bleven de dieren minder lang aan één stuk zitten, en ook minder lang hun veren poetsen, wanneer zij bij een hogere bezettingsdichtheid gehuisvest waren. Oudere dieren liepen minder lang per keer en deze afname werd versterkt door een hogere dichtheid. Naarmate de bezettingsdichtheid toenam, maakten de vleeskuikens meer gebruik van het gebied langs de wanden van hun hok. Dit verspreidingspatroon kon niet verklaard worden vanuit de bestaande literatuur waarin gesuggereerd wordt dat kippen bij voorkeur dicht bij wanden blijven omdat deze bescherming bieden tegen predatoren. In plaats daarvan leken de vleeskuikens het gebied langs de wanden te prefereren omdat zij hier minder kans liepen om gestoord te worden door hun soortgenoten.
    In artikel II werd het gedrag van vleeskuikens gehuisvest bij verschillende bezettingsdichtheden bestudeerd. Tevens werd gekeken bij welke dichtheden de vleeskuikens hun soortgenoten opzochten, en bij welke zij hun soortgenoten ontweken. Hogere dichtheden leidden tot een fragmentatie van het gedrag. Er werd vaker gezeten, maar minder lang per keer, waardoor in totaal even veel tijd zittend doorgebracht werd. Tevens werd er bij een hogere bezettingsdichtheid minder tijd besteed aan het poetsen van het verenkleed. Uit paarsgewijze vergelijkingen van de behandelingsgemiddelden kwam geen duidelijke drempelwaarde naar voren, waarboven het gedrag een plotselinge verandering onderging. In plaats daarvan had dichtheid een gradueel effect op het gedrag, ook al weken sommige behandelingsgemiddelden af van de algemene trend. De vleeskippen positioneerden zich verder van hun dichtstbijzijnde soortgenoot wanneer zij aan het drinken of eten waren, dan wanneer zij aan het scharrelen of poetsen waren, of wanneer zij hun zit- of lighouding aanpasten. Wanneer dieren door ruimtebeperking gedwongen worden zich dichter bij elkaar te positioneren dan gewenst, zullen zij proberen om de afstand tot hun soortgenoten te maximaliseren. Daarom werd een ruimtelijke verdeling waarbij dieren zich verder van hun soortgenoten positioneerden dan zou worden verwacht als zij soortgenoten opzochten noch ontweken, gebruikt als een indicator voor een tekort aan ruimte. Omdat de ruimtelijke verdeling waarschijnlijk niet alleen beïnvloed wordt door ontwijking van en aantrekking tot soortgenoten, maar ook door omgevingsinvloeden (bijvoorbeeld de nabijheid van een muur of een voerbak), werden twee soorten verwachte waarden gebruikt. De eerste soort werd niet gecorrigeerd voor omgevingsinvloeden, de tweede wel. Vervolgens werd de waargenomen ruimtelijke verdeling vergeleken met beide soorten verwachte waarden. Wanneer er gecorrigeerd werd voor omgevingsinvloeden leidde dit tot andere conclusies omtrent de optimale dichtheid dan wanneer deze correctie niet doorgevoerd werd. Tevens was de keuze van de index waarmee de ruimtelijke verdeling bepaald werd van belang. De afstand tot de dichtstbijzijnde soortgenoot (NND) toonde reeds op een jongere leeftijd dat de vleeskuikens elkaar ontweken dan de variatie in inter-individuele afstand (CVIID) en de variatie in de oppervlakte van Dirichlet polygonen (CVDPA). Echter, alle drie indices van ruimtelijke verdeling toonden dat vleeskippen gehuisvest bij een dichtheid = 19 dieren per 3.3 m2 (ofwel 15 kg/m2) elkaars nabijheid begonnen te ontwijken ergens gedurende de laatste 3 weken van hun leven.
    In artikel III werd de motivatie voor voedsel afgezet tegen de motivatie voor bezettingsdichtheden lager dan 15 dieren/m2. De vleeskuikens konden zich verplaatsen tussen twee compartimenten met een verschillende bezettingsdichtheid door over een barrière te klimmen of springen. De vleeskuikens toonden een aanzienlijke motivatie voor lagere dichtheden: er was een netto instroom naar het compartiment met de lagere dichtheid, zelfs wanneer de compartimenten gescheiden werden door een barrière die zo hoog was dat deze 20-25% van de dieren ervan weerhield om bij hun voer te komen nadat zij 6 uur niet hadden kunnen eten.
    In artikel IV werd de ruimtelijke verdeling van vleeskonijnen gehuisvest in verrijkte en onverrijkte kooien met verschillende afmetingen bestudeerd. Het ruimtegebruik bleek beïnvloed te worden door omgevingsfactoren. Overeenkomstig met dit resultaat toonden vergelijkingen die niet gecorrigeerd waren voor omgevingsinvloeden vaker aantrekking tot soortgenoten, en minder vaak ontwijking van soortgenoten, dan wanneer er wel een correctie voor omgevingsfactoren werd uitgevoerd. Met name CVDPA was gevoelig voor omgevingsfactoren, waarschijnlijk omdat deze index beïnvloed wordt door de positie van de dieren ten opzichte van hun hok. Vergelijkingen tussen de waargenomen ruimtelijke verdeling en waarden die wel gecorrigeerd waren voor omgevingsfactoren, toonden aan dat de vleeskonijnen van 9 weken oud de nabijheid van hun soortgenoten ontweken in alle kooitypes, ook al was de bezettingsdichtheid in de grootste kooien vier keer zo laag als in de gangbare praktijk. Tevens leken de dieren zich minder aangetrokken te voelen tot elkaar wanneer er een houten verrijkingsstructuur in de kooi aanwezig was.
    Artikel V beschrijft hoe kooigrootte verrassend weinig invloed had op het gedragsrepertoire van vleeskonijnen gehuisvest in groepen van acht, ondanks dat er een brede spreiding in dichtheden bestudeerd werd (zeven verschillende dichtheden tussen 0.40 and 1.60 m2). De enige gedraging die continu toenam bij een stijgende bezettingsdichtheid was sternaal liggen (liggen op de buik). Dieren die sternaal lagen hadden ook minder vrije ruimte om zich heen dan dieren in een andere houding. Waarschijnlijk nam sternaal liggen niet toe met toenemende dichtheid omdat de behoefte aan deze gedraging toenam, maar omdat andere gedragingen die meer ruimte vereisten moeilijker werden bij een hogere dichtheid. Het poetsen van de vacht leek echter wel een gedraging waar de vleeskonijnen veel belang aan hechtten. Hoewel er in grote kooien bij voorkeur gepoetst werd op momenten dat de dieren meer vrije ruimte om zich heen hadden, werd er toch evenveel gepoetst in kleinere kooien. De houten verrijkingsstructuur verminderde de tijd die besteed werd aan kooimanipulatie en sociale interacties. Dit zou er op kunnen duiden dat deze gedragingen deels veroorzaakt werden doordat de konijnen hun knaagbehoefte naar de kooi en naar hun kooigenoten richtten wanneer er geen verrijking aanwezig was om aan te knagen.
    Samenvattend leidde een hogere bezettingsdichtheid tot een fragmentatie van het rustgedrag van vleeskuikens, terwijl vleeskonijnen juist meer rustten bij een stijgende bezettingsdichtheid. Konijnen leken minder gericht op hun soortgenoten wanneer er een houten verrijkingsstructuur aanwezig was in hun kooi, aangezien de tijd die besteed werd aan sociale interacties verminderde, en aangezien er al bij lagere dichtheden ontwijking van de nabijheid van de soortgenoten waargenomen werd. De optimale dichtheid voor vleeskuikens nabij slachtleeftijd was ongeveer 7 keer zo laag als de dichtheid die wordt opgelegd door de recente Europese richtlijn. Vleeskuikens toonden tevens een aanzienlijke motivatie voor lagere dichtheden, wat suggereert dat lagere dichtheden belangrijk zijn voor het welzijn van deze dieren. Vleeskonijnen ontweken elkaar zelfs nog in de grootste kooien, hetgeen impliceerde dat ook deze kooigrootte nog suboptimal was, ook al bood deze 4 keer zoveel ruimte per konijn als gangbaar is in de praktijk. De resultaten van de analyse van de ruimtelijke verdeling benadrukken tevens het belang van de correctie voor omgevingsfactoren, en van het gebruik van meerdere verspreidingsindices, wanneer de afstoting dan wel aantrekking tussen dieren geanalyseerd wordt.
    Vertaalde titel van de bijdrageRuimtelijke verdeling en gedrag van pluimvee en konijnen als indicator voor hun ruimtebehoefte
    Oorspronkelijke taalEngels
    Plaats van publicatieUppsala
    EditieActa Universitatis Agriculturae Sueciae
    Uitgever
    ISBN’s in drukversie978-91-576-7577-4
    PublicatiestatusGepubliceerd - 2011

    Dit citeren